per 15 december 2011 milieueisen aan alle nieuwe verdeelapparatuur voor gewasbeschermingsmiddelen


07-11-2011

Per 15 december 2011 worden er aan alle nieuwe verdeelapparatuur voor gewasbeschermingsmiddelen die in Nederland verkocht worden een aantal extra eisen gesteld die betrekking hebben op milieuveiligheid.

Dit betreft een uitbreiding van de Machinerichtlijn 2006/42/EG. De Machinerichtlijn heeft betrekking op arbeidsveiligheid, maar voor verdeelapparatuur voor gewasbeschermingsmiddelen zijn er op grond van richtlijn 2009/127/EG, een aantal aanvullende eisen die betrekking hebben op milieubescherming.

Deze eisen hebben betrekking op alle typen verdeelapparatuur, bijvoorbeeld: veldspuiten, boomgaardspuiten, motorvatspuiten, rugspuiten, LVM apparatuur, vliegtuigen, etc.

De eisen die geformuleerd zijn, zijn de volgende:
2.4.2. Algemeen
De fabrikant van machines voor de toepassing van pesticiden of diens gemachtigde garandeert dat er een beoordeling wordt uitgevoerd van de risico’s van onopzettelijke blootstelling van het milieu aan pesticiden, in overeenstemming met de risicobeoordelings- en risicobeperkingsprocedure waarnaar wordt verwezen in punt 1 van de algemene beginselen.
Bij het ontwerp en de bouw van machines voor de toepassing van pesticiden moet rekening worden gehouden met de resultaten van de in de eerste alinea bedoelde risicobeoordeling, zodat de machines kunnen worden bediend, afgesteld en onderhouden zonder dat het milieu onopzettelijk wordt blootgesteld aan pesticiden. Lekken moeten te allen tijde worden voor­
komen.
2.4.3. Controles en monitoring
Het moet mogelijk zijn de toepassing van pesticiden vanaf de bedieningsplaats op een gemakkelijke en nauwkeurige manier te controleren, te monitoren en onmiddellijk stop te
zetten.
2.4.4. Vullen en leegmaken
De machines moeten zodanig ontworpen en gebouwd zijn dat het nauwkeurig vullen met de noodzakelijke hoeveelheid pesticiden wordt vergemakkelijkt en gemakkelijk en volledig leegmaken is gewaarborgd, terwijl morsen van pesticide en verontreiniging van de waterbron tijdens deze handelingen worden voorkomen.
2.4.5. Toepassing van pesticiden
2.4.5.1. Dosering
De machines moeten uitgerust zijn met een voorziening waarmee de dosering gemakkelijk, precies en betrouwbaar kan worden ingesteld.
2.4.5.2. Verspreiding, afzetting en drift van pesticiden
De machines moeten zodanig ontworpen en gebouwd zijn dat de pesticiden worden verspreid over de doelgebieden, zodat verliezen op andere gebieden tot een minimum worden beperkt en drift van pesticiden in het milieu voorkomen wordt. In voorkomend geval moet worden gezorgd voor een gelijkmatige verspreiding en homogene afzetting.
2.4.5.3. Tests
Om na te gaan of de relevante onderdelen van de machines beantwoorden aan de in de punten 2.4.5.1 en 2.4.5.2 vermelde vereisten, moet de fabrikant of diens gemachtigde voor elk betrokken type machine passende tests uitvoeren of laten uitvoeren.
2.4.5.4. Verliezen tijdens stilstand
De machines moeten zodanig zijn ontworpen en gebouwd dat verlies van pesticide bij uitgeschakelde spuitfunctie wordt voorkomen.
2.4.6. Onderhoud
2.4.6.1. Schoonmaken
De machines moeten zodanig zijn ontworpen en gebouwd dat zij eenvoudig en grondig kunnen worden schoongemaakt zonder het milieu te verontreinigen.
2.4.6.2. Onderhoudsbeurten
De machines moeten zodanig zijn ontworpen en gebouwd dat de vervanging van versleten onderdelen wordt vergemakkelijkt, zonder het milieu te verontreinigen.
2.4.7. Controles
De nodige meetinstrumenten moeten op eenvoudige wijze op de machines kunnen worden bevestigd om de goede werking van de machine te kunnen controleren.
2.4.8. Markering van spuitdoppen, zeven en filters
Spuitdoppen, zeven en filters moeten gemarkeerd worden zodat het type en de maat ervan duidelijk kunnen worden vastgesteld.
2.4.9. Aanduiding van gebruikt pesticide
In voorkomend geval moeten de machines uitgerust zijn met een specifieke plaats waar de bediener de naam van het pesticide dat op dat moment in de machine zit, kan bevestigen.
2.4.10. Gebruiksaanwijzing
De gebruiksaanwijzing moet de volgende informatie verschaffen:
a) voorzorgsmaatregelen die bij het mengen, laden, toedienen, leegmaken, schoonmaken en bij onderhouds- en transportwerkzaamheden moeten worden genomen om verontreiniging van het milieu te voorkomen;
b) gedetailleerde gebruiksomstandigheden voor de verschillende beoogde gebruiksomgevingen, met inbegrip van de daarmee gepaard gaande voorbereiding en vereiste instelling om ervoor te zorgen dat het pesticide wordt afgezet op doelgebieden, verliezen op andere gebieden tot een minimum worden beperkt en drift van pesticiden in het milieu voorkomen wordt, en, in voorkomend geval, om een gelijkmatige verspreiding, en homogene afzetting van het pesticide te verzekeren;
c) de verschillende typen en maten van spuitdoppen, zeven en filters die met de machines kunnen worden gebruikt;
d) de frequentie van de controles en de criteria en methode voor de vervanging van onderdelen die aan slijtage onderhevig zijn waardoor de correcte werking van de machine wordt beïnvloed, zoals spuitdoppen, zeven en filters;
e) specificatie van de kalibratie, het dagelijks onderhoud, de winterse voorbereidingswerkzaamheden en andere controles die nodig zijn om de correcte werking van
de machine te garanderen;
f) typen pesticiden die aanleiding kunnen geven tot een verkeerde werking van de machine;
g) een vermelding dat de bediener op de in punt 2.4.9 vermelde specifieke plaats de naam van het pesticide dat op dat moment in de machine zit, moet aanbrengen;
h) de aansluiting en het gebruik van speciale apparatuur of toebehoren en de nood­
zakelijke voorzorgsmaatregelen die moeten worden getroffen;
i) een vermelding dat de machine onderworpen kan zijn aan nationale eisen betreffende regelmatige controle door daarmee belaste instanties, zoals vastgelegd in Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden (**);
j) de delen van de machine die moeten worden gecontroleerd om de correcte werking ervan te waarborgen;
k) instructies voor de aansluiting van de nodige meetinstrumenten


Deze algemeen geformuleerde eisen worden in geharmoniseerde normen verder uitgewerkt en gespecificeerd voor de verschillende typen machines. Deze normen zijn op dit moment nog in ontwikkeling. Voor de spuitmachines komt er de serie: ISO16119
Deel 1: Algemeen
Deel 2: Veldspuiten
Deel 3: Boomgaardspuiten
Deel 4: Motorvatspuiten

Voor rugspuiten is er de norm ISO19332
 



<<